Uit haar gedichten blijkt hoezeer Emily Dickinson zich verbonden voelt met de natuur. Het merendeel van haar werk beschrijft haar intense beleving van de natuur of maakt gebruik van metaforen daaraan ontleend. Niet alleen lezen we over de ervaringen die ze opdoet in de wandelingen door bossen, heuvels, akkers en weiden. Maar ook over de natuur rondom haar eigen huis. Emily was niet getrouwd, had geen betaald werk en bracht een groot deel van haar leven door in haar tuin en kas.

Emily Dickinson was een deskundig botaniste. Al op 14-jarige leeftijd maakte ze een herbarium van 424 soorten planten, bomen en struiken. De bibliotheek van Harvard heeft dit complete herbarium met prachtige kleurenreproducties online gepubliceerd. Zie Herbarium of Emily Dickinson.

Wat zij in de natuur ziet en ervaart, gebruikt ze vaak als metafoor voor haar gedichten. Voor haar vertrouwde bloemen en planten, zullen zeker niet voor ieder bekend zijn. Bovendien zijn sommige soorten typisch voor de streek waarin zij leefde en komen in West-Europa minder of niet voor. Daarom is het zinvol om de planten uit de (vertaalde) gedichten in beeld brengen.

Klik op de afbeeldingen om deze te vergroten.

Aardbeiboom (“Arbutus”)

Akelei (“Columbine”)

Anemoon (“Anemone”)

Anjer (“Carnation”)

Aster

Bartsia

Bosliefje – Paarse Winde (“Morning Glory”)

Boterbloemen (“Buttercups”)

In de volksmond ook wel gebruikt voor “vrijer”.

Brem (“Gorse”)

Cactus

Campanula (“Bell”, “Bellflower”)

Campanula betekent letterlijk in het latijn “klokje”.

Dennenboom (“Pine Tree”)

Eik (“Oak”)

Epigea

Esdoorn (“Maple”)

In het najaar kleuren de bladeren fel rood.

Fuchsia

Gentiaan (“Gentian”)

Het Gentiaanblauwtje bloeit in de herfst. Volgens de brieven van Emily Dickinson is het een goed medicijn tegen moedeloosheid.

Geranium

Vroeger werd deze plant ook wel “ooievaarsbek” genoemd.

Ghostplant (“Indian Pipe”)

Monotropa uniflora is een zeldzame plant. De bladeren bevatten geen chlorofyl en vandaar de felwitte kleur. Ze voeden zich van rottend materiaal en leven op de bodem van donkere bossen. Ze hebben een hallucinerende werking.

Graan (“Wheat”)

 

Emily gebruikt vaak het woord “corn” in de brede betekenis van gewas. Het is dus synoniem voor graan of koren.

Grasklokje (“Harebell”)

Hemlockspar (“Hemlock”)

Een flinke, statige naaldboom, die in Europa van oudsher niet voorkomt.

Hyacint (“Hyacinth”)

Iep (“Elm”)

Iris (“Iris”)

Jasmijn (“Jessamine”)

Kastanjeboom (“Chestnut”)

Klaproos (“Poppy”)

Klaver (“Clover”)

Met Klaver bedoelt Emily Dickinson niet de kleine klaverblaadjes die wij kennen, maar de weideklaver (trifolium pratense) met meestal rode bloemknoppen. Boeren verbouwden deze klaver als groenvoer voor paarden.

Klit (“Burdock”)

Krokus (“Crocus”)

Laurier (“Laurel”

Lelie (“Lily”)

Madeliefje (“Daisy”)

Bloem die Emily Dickinson vaak aan begraafplaatsen verbindt.

Maïs (“Corn”)

 

Emily gebruikt vaak het woord “corn” in de brede betekenis van gewas. Het is dus synoniem voor graan of koren.

Moeras roze (“Swamp Pink”)

Mos (“Moss”)

Narcis (“Daffodil”)

Ook wel symbolisch voor ‘nieuw leven’.

Nardusbloem (“Spikenard”)

Orchidee (“Orchid”)

Paardenbloem
——–(“Dandelion”, “Leontodon”)

 

Paddenstoel (“Mushroom”)

Plataan (“Sycamore”)

Primula
——–(“Primrose”, “Cowslip Dell”)

 

Ook wel Sleutelbloem genoemd

Rododendron (“Rhodora”)

Roos (“Rose’)

Sering (“Lilac”)

Vingerhoedskruid (“Fogloves”)

Viooltje (“Violet”, “Heart’s Ease”)

Waterlelies (“Water lilies”)

 

Zegge (“Sedge)

 

Een kruid dat wat de groei op gras lijkt.

 

x (x)