Distrustful of the Gentian
Distrustful of the Gentian –
And just to turn away,
The fluttering of her fringes
Chid my perfidy –
Weary for my –––
I will singing go –
I shall not feel the sleet – then –
I shall not fear the snow.
Flees so the phantom meadow
Before the breathless Bee –
So bubble brooks in deserts
On ears that dying lie –
Burn so the evening spires
To eyes that Closing go –
Hangs so distant Heaven –
To a hand below.
F26/F27/J20/1858
Wantrouwend jegens de Gentiaan –
En net toen ik me wilde omdraaien,
Verweet het fladderen van haar franjes
Mij mijn gebrek aan trouw –
Moe van mijn …..
Zal ik zingend gaan –
En de de ijzel niet voelen – dan –
Zal ik de sneeuw niet vrezen.
Zo vlucht de spookweide
Voor de naar adem snakkende Bij –
Zo kabbelen beekjes in de woestijn
Voor oren die op sterven liggen –
Zo branden de spitsen van de avond
Voor ogen die gaan sluiten –
Zo ver weg hangt de Hemel –
Voor een hand hier beneden.
In de uitgave van R.W. Franklin worden beide strofen (F26 en F27) als afzonderlijke gedichten beschouwd. Minder waarschijnlijk aangezien In een van de manuscripten ze onder elkaar op eenzelfde blad zijn geschreven.
[1.1] Gentian: gentiaan, herfstbloem, klein rotsplantje met blauwpaarse bloemetjes – het bloemetje bloeit in de herfst en daarom symbolisch voor afscheid of voor iemand die je in de steek laat.
[1.5] – verwijst naar iemand die niet nader genoemd wordt.
[2.5] Spires: spitsen van een toren of boom (Noah Webster’s Lexicon 1844).