(Door Guus Middag, uit NRC van 20 juli 2007.
Recensie van Emily Dickinson, Gedichten 2. Toen nog tweedelige uitgave)
‘Ik hoorde een Bromvlieg – toen ik stierf’. Zo begint een gedicht van Emily Dickinson. Het is een kras gegeven. Aan het woord is een vrouw op haar sterfbed, omringd door familieleden. Het is stil, iedereen houdt de adem in, iedereen probeert zich voor te bereiden op wat komen gaat. ‘De Stilte in ’t Vertrek / was als de Stilte Buitenshuis – / als Stormwind even stokt’. De dood is al bijna voelbaar aanwezig. En dan dient zich opeens een luid brommende bromvlieg aan. Je ziet de bijbehorende filmscène (Van Warmerdam) meteen voor je. Inzoomen op de benauwde blikken van de familieleden: ze moeten met hun gedachten eigenlijk ergens anders zijn, maar onwillekeurig blijven ze de vlieg volgen.
De stervende zelf lijkt niet blij met de gang van zaken. Het klinkt bijna mopperend: ‘Mijn Aandenkens vermaakt – wat mij / iets waard leek schonk ik weg / met mijn Paraaf – toen was er / die tussenkomst van Vlieg’. Had ik alles goed geregeld, testament opgesteld, de laatste dierbare dingen verdeeld – komt daar ineens die stomme bromvlieg mijn sterfscène binnengevlogen. Het is een beetje morbide en het stemt wat ongemakkelijk, maar het is ook wel om te lachen. Dat komt door het ongebruikelijke perspectief: het gedicht wordt verteld door iemand die gaat sterven en in de slotregels de ogen daadwerkelijk sluit: ‘Toen vielen Vensters uit – en toen / verdween het zien uit zicht –’.
Intussen is het allemaal wel typisch Emily Dickinson (1830-1886), zeker de Emily Dickinson van haar eerste jaren, 1858-1864, toen zij nog tamelijk lange, verhalende gedichten schreef. Zo hadden we haar al leren kennen in Gedichten 1 (2005), een ruime keuze uit haar vroege gedichten, vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen. Nu is er deel 2, met een al even ruime keuze uit Dickinsons latere gedichten, ook nu weer voorzien van verhelderende aantekeningen – over woordbetekenissen, vertaalproblemen, interpretatiekwesties en biografische achtergronden. Voor deel 2 was ook een aparte biografische schets beloofd, maar die is doorgeschoven naar deel 3, waarin een bloemlezing uit Dickinsons brieven zal worden opgenomen.
Sprong
In het algemeen zijn de gedichten in dit deel korter, puntiger en aforistischer. De sprong van aardse aanleiding naar algemenere toepassing, van concreet naar abstract, wordt hier nog sneller gemaakt. Dat gaat dan zo, in de voor Dickinson kenmerkende korte dwingende stijl: ‘Ik zag nog nooit de Zee – / ik zag nooit Heidegrond – / en toch weet ik wat Golfslag is / en hoe de Heide toont.’ Dat is het eerste deel. De bewering is duidelijk: je kan allerlei aardse zaken (hei, zee) kennen zonder ze ooit met eigen ogen te zien. In het tweede deel wordt deze ervaring uitgebreid tot de onaardse zaken: ‘Nooit sprak ik God noch bracht / de hemel een bezoek – / toch ben ik zeker van het oord / als had ik al Geboekt’.
Zo, zonder ze ooit daadwerkelijk te hebben gezien, kan je ook in God en de hemel geloven. Het ziet er misschien uit als een zondagsschoolwijsheidje, maar dan wel voorzien van wat hogere ironie her en der – zoals de droge mededeling van de spreker dat hij de hemel nog nooit bezocht heeft, tot op heden. Ook mooi, en verrassend, en opnieuw heel concreet: de voorstelling van de hemel als een plaats waarvoor je kaartjes kan kopen.
Het woord ‘geboekt’ is een vondst: een mooie oplossing voor het lastige woord ‘checks’ bij Dickinson. Mooi is ook het net- niet-rijm ‘bezoek’–‘geboekt’, tegenhanger van het halfrijm ‘heaven’–‘given’. Maar daar staat ook verlies tegenover. Verstegen heeft in het eerste couplet de oorspronkelijke, en veel logischer volgorde, heide – zee, omwille van het rijm moeten omgooien. Voor de Engelse woorden ‘moor’ en ‘heather’ was het moeilijk verschillende equivalenten te vinden; dat werd eerst ‘heidegrond’ en daarna nog maar weer eens ‘heide’.
Zo valt er bij vertalingen altijd wel wat azijn te pissen. Een groter bezwaar tegen de vertalingen van Verstegen is dat hij, om maar net zo compact te klinken als Dickinson, zijn toevlucht neemt tot raar kunstmatig Nederlands. Niemand zegt ‘Ik zag nog nooit de Zee’. Iedereen zou dan zeggen: ‘Ik heb nog nooit de zee gezien.’ De zin ‘Ik zag nooit Heidegrond’ zal een Nederlander om dezelfde reden nooit uitspreken – en dan hebben we het nog niet eens over het vreemde aardrijkskundeboekjeswoord ‘heidegrond’.
Stuntelig
Het Nederlands van Verstegen is wel min of meer te begrijpen, zeker met de Engelse tekst van Dickinson ernaast en de toelichtingen erachter, maar het klinkt overal even onnatuurlijk, stuntelig en stroef. Het wemelt hier van de malle anglicismen. ‘Het infecteert mijn simpele Geest met Smet van Majesteit’. Dat is de vertaling van ‘infects my simple Spirit with Taints of Majesty’. Houterige genitiefconstructies overal: ‘Vanuit geheugens Grond’, ‘Doods gewijder Rubricering’, ‘Natuurs Effect’ en ‘beter Vervoerings Kostprijs / niet op je hals gehaald’. Onuitspreekbare haspelconstructies, waarmee vermoedelijk wordt voldaan aan de eisen van de lettergreeptelling: ‘Gods luidste Plaats’, ‘Struikroof van de Dood is niet Tijds acuutste Buit’. Woord-voor-woord- vertalingen: ‘in Gevaar of bij Snelle Calamiteit’ (‘by Danger or quick Calamity’). Overal zakelijke betoogtrantwoorden als ‘immers’, ‘opdat’, ‘reeds’, ‘daar’, ‘mits’ en ‘noch’. Ouderwetse woorden: ‘de Aard’, ‘de Noen’, ‘gena’, ‘een schrale Snuiter’ en ‘voorzichtig traag van schree’. Engelse woorden: ‘lustraal’, ‘prerogatief’, ‘arctisch herstelde Zekerheid’. Dan is het niet zo vreemd dat er soms regelrechte raadselspraak ontstaat: ‘de vracht moet zijn / naar mate van de baan’. Het is een van de vele plaatsen waarop mij overkwam wat de dichteres in een van haar gedichten beschrijft: ‘I felt a Cleaving in my Mind’. Verstegen vertaalt: ‘ik voelde Klieving in mijn Geest’.
Van de bij uitstek lichte en lenige, frisse en verrassende poëzie van Emily Dickinson is niet veel overgebleven, vind ik. Het zal wel aan mij liggen. Verstegen is juist erg om zijn Dickinson-vertalingen geprezen. Kwestie van smaak. Geef mij maar een zogenaamde vrije vertaling, van Willem Wilmink bijvoorbeeld – in licht, lekker lopend Nederlands, en meteen ook te begrijpen. Of geen vertaling, dat kan ook. Als de mensen bij een ramp iets dierbaars zijn kwijtgeraakt, zeggen ze wel: gelukkig hebben we de foto’s nog. Bij deze ramp is er een andere troost: gelukkig hebben we de originelen nog.