What I see not, I better see
What I see not, I better see –
Through Faith – my Hazel Eye
Has periods of shutting –
But, No lid has Memory –
For frequent, all my sense obscured
I equally behold
As someone held a light unto
The Features so beloved –
And I arise – and in my Dream –
Do Thee distinguished Grace –
Till jealous Daylight interrupt –
And mar thy perfectness –
F869/J939/1864
Wat ik niet zie, zie ik des te beter –
Door het Geloof – mijn Bruine Oog
Zit af en toe dicht –
Maar, het Geheugen kent Geen oogleden –
Want vaak, als al mijn zintuigen verduisterd zijn
Blijf ik evengoed zien
Alsof iemand een lamp houdt bij
De Gelaatstrekken waar ik zo van houd –
En Ik sta op – en in mijn Droom –
Bied ik U mijn oprechte Dank –
Tot het jaloerse Daglicht tussenbeide komt –
En uw volmaaktheid verpest –
[1.1] Variant voor What: When (Wanneer).
[1.2] Hazel: hazelaarbruin – Emily Dickinson had last van haar ogen, waarvoor ze twee keer maandenlang behandeld werd in Cambridge. Mogelijk gaat het gedicht over het ‘derde oog’, het oog van het geloof waarmee mensen de zin van het bestaan beschouwen.