Unto a broken heart
No other one may go
Without the high prerogative
Itself hath suffered too
F1745/J1704/Jaartal onbekend
Tot een gebroken hart
Mag geen ander gaan
Zonder de strikte voorwaarde
Dat het zelf ook geleden heeft
Unto a broken heart
No other one may go
Without the high prerogative
Itself hath suffered too
F1745/J1704/Jaartal onbekend
Tot een gebroken hart
Mag geen ander gaan
Zonder de strikte voorwaarde
Dat het zelf ook geleden heeft
Those final Creatures, – who they are –
That faithful to the close
Administer her ecstasy,
But just the Summer knows.
F1746/J1766/Jaartal onbekend
Die laatste Wezens, – wie zijn ze –
Die tot aan het einde trouw
Haar Extase schenken,
Maar alleen de Zomer weet het.
That Love is all there is
Is all we know of Love
It is enough, the freight should be
Proportioned to the groove.
F1747/J1765/Jaartal onbekend
Dat Liefde alles is wat er is
Is al wat wij van Liefde weten,
Dat is genoeg, de lading moet
In verhouding zijn tot het getrokken spoor.
Op de grafsteen van Annemiek, mijn levensmaatje, staat een korte tekst gegraveerd: Liefde is alles. Het past helemaal bij haar. Het is ook een verwijzing naar de mystica Hadewijch (‘Minne is al’). Een gevoelige uitdrukking voor mij die in dit gedicht nog een dieper spoor krijgt.
As subtle as tomorrow
That never came,
A warrant, a conviction,
Yet but a name.
F1748/J1713/Jaartal onbekend
Zo subtiel als morgen
Die nooit is gekomen,
Is een zekerheid, een overtuiging,
Slechts een naam.
By a departing light
We see acuter, quite,
Than by a wick that stays.
There’s something in the flight
That clarifies the sight
And decks the rays
F1749/J1714/Jaartal onbekend
Bij vervagend licht
Zien we scherper, absoluut,
Dan bij een lampenpit die aan blijft.
Er is iets met verdwijnen
Wat het zicht verheldert
En de lichtstralen toedekt
Consulting summer’s clock,
But half the hours remain.
I ascertain it with a shock –
I shall not look again.
The second half of joy
Is shorter than the first.
The truth I do not dare to know
I muffle with a jest.
F1750/J1715/Jaartal onbekend
Als ik in de zomer de klok erop nasla,
Blijft maar de helft van de uren over.
Ik controleer het onthutst –
Ik durf niet meer te kijken.
De tweede helft van de vreugde
Is korter dan de eerste.
De waarheid die ik niet durf te zien
Dek ik toe met een grap.
Did life’s penurious length
Italicize it’s sweetness,
The men that daily live
Would stand so deep in joy
That it would clog the cogs
Of that revolving reason
Whose esoteric belt
Protects our sanity.
F1751/J1717/Jaartal onbekend
Als de armzalige duur van het leven
De zoetheid ervan benadrukte,
Dan zouden mensen die elke dag leven
Zo diep in vreugde ondergedompeld zijn
Dat het de radertjes liet vastlopen
Van die malende reden
Wiens hemelse drijfriem
Onze geestelijke gezondheid beschermt.