The words the happy say
Are paltry melody
But those the silent feel
Are beautiful –
F1767/J1750/Jaartal onbekend
De woorden die de gelukkige uitspreekt
Zijn povere melodie
Maar die de zwijgzame voelt
Zijn prachtig –
The words the happy say
Are paltry melody
But those the silent feel
Are beautiful –
F1767/J1750/Jaartal onbekend
De woorden die de gelukkige uitspreekt
Zijn povere melodie
Maar die de zwijgzame voelt
Zijn prachtig –
There comes an hour when begging stops,
When the long interceding lips
Perceive their prayer is vain.
“Thou shalt not” is a kinder sword
Than from a disappointing God
“Disciple, call again.”
F1768/J1751/Jaartal onbekend
Het uur komt dat bidden ophoudt,
Wanneer de alsmaar smekende lippen
Merken dat hun gebed vergeefs is.
“Gij zult niet” is een vriendelijker zwaard
Dan van een God die teleurstelt met
“Leerling, vraag opnieuw.”
This docile one inter
While we who dare to live
Arraign the sunny brevity
That sparkles to the Grave.
On her departing span
No wilderness remain
As dauntless in the House of Death
As if it were her own –
F1769/J1752/Jaartal onbekend
Deze zachtmoedige persoon begraven
Terwijl wij die het lef hebben te leven
De zonnige kortstondigheid aanklagen
Die sprankelt op het graf.
Op de plek vanwaar ze heengaat
Blijft geen verlatenheid achter
Zo onbevreesd in het Huis van de Dood
Als was het van haar eigen –
Through those old grounds of memory,
The sauntering alone
Is a divine intemperance
A prudent man would shun.
Of liquors that are vended
‘Tis easy to beware
But statutes do not meddle
With the internal bar.
Pernicious as the sunset
Permitting to pursue
But impotent to gather,
The tranquil perfidy
Alloys our firmer moments
With that severest gold
Convenient to the longing
But otherwise withheld.
F1770/J1753/Jaartal onbekend
Door de oude droesem van het geheugen,
Wandelen in je eentje
Is een goddelijke uitspatting
Die een verstandig mens moet vermijden.
Voor sterke drank die verkocht wordt
Is het gemakkelijk oppassen
Maar vergunningen bemoeien zich niet
Met het innerlijke café.
Zo schadelijk als het toestaan
Om de zonsondergang te achtervolgen
Maar niet bij machte om het te vangen
Vermengt het stille bedrog
Onze sterkere momenten
Met dat zuiverste goud
Prettig om naar te hunkeren
Maar verder buiten ons bereik.
‘Twas here my summer paused
What ripeness after then
To other scene or other soul
My sentence had begun.
To winter to remove
With winter to abide
Go manacle your icicle
Against your Tropic Bride
F1771/J1756/Jaartal onbekend
Hier was het dat mijn zomer stopte
Wat kon er dan nog tot rijping komen
Naar een ander toneel of andere ziel
Was mijn vonnis ingegaan.
Naar de winter vertrekken
Met de winter te verkeren
Ga je ijspegel vastkluisteren
Aan je Tropenbruid
Softened by Time’s consummate plush,
How sleek the woe appears
That threatened childhood’s citadel
And undermined the years.
Bisected now, by bleaker griefs,
We envy the despair
That devastated childhood’s realm,
So easy to repair.
F1772/J1738/Jaartal onbekend
Verzacht door het volle pluche van de Tijd,
Zo gladgestreken verschijnt de pijn
Die het fort van de kindertijd bedreigde
En de jaren ondermijnde.
Nu gebroken, door dieper verdriet,
Zijn we jaloers op de wanhoop
Die het rijk van de kindertijd verwoestte
En zo makkelijk te herstellen was.
My life closed twice before its close;
It yet remains to see
If Immortality unveil
A third event to me,
So huge, so hopeless to conceive
As these that twice befell.
Parting is all we know of heaven,
And all we need of hell.
F1773/J1732/Jaartal onbekend
Mijn leven eindigde tweemaal voor zijn einde;
Het valt nog te bezien
Of Onsterfelijkheid mij
Een derde keer ontsluiert,
Zo kolossaal, zo onmogelijk te bevatten
Als wat mij twee keer is overkomen.
Dood is al wat we van de hemel weten,
Meer van de Hel hoeven we niet.