Be Mine the Doom –
Sufficient Fame –
To perish in Her Hand!
F919/J845/1865
Mag Mijn Lot –
Voldoende Roem zijn –
Om in Haar Hand te vergaan!
Be Mine the Doom –
Sufficient Fame –
To perish in Her Hand!
F919/J845/1865
Mag Mijn Lot –
Voldoende Roem zijn –
Om in Haar Hand te vergaan!
Each Scar I’ll keep for Him
Instead I’ll say of Gem
In His long Absence worn
A Costlier One
But every Tear I bore
Were He to count them o’er
His own would fall so more
I’ll missum them –
F920/J877/1865
Elke Litteken zal ik voor Hem bewaren
Liever spreek ik van een Parel
Die ik in Zijn lange Afwezigheid draag
De Kostbaarste
Maar elke Traan die ik liet
Ging Hij ze één voor één tellen
Die van Hem zouden zoveel meer vallen
Dat ik de tel kwijtraakte –
Snow beneath whose chilly softness
Some that never lay
Make their first Repose this Winter
I admonish Thee
Blanket Wealthier the Neighbor
We so new bestow
Than thine Acclimated Creature
Wilt Thou, Austere Snow?
F921/J942/1865
Sneeuw, onder jouw kille zachtheid
Hebben sommigen nog nooit gelegen
En vinden deze Winter hun eerste Rustplaats
Ik roep je op
De Buurvrouw Rijker onder te stoppen
Die we hier pas afgaven
Dan de Wezens die aan jou Gewend zijn
Wil Jij dat, Strenge Sneeuw?
The Sun is gay or stark
According to our Deed.
If Merry, He is merrier –
If eager for the Dead
Or an expended Day
He helped to make too bright
His mighty pleasure suits Us not
It magnifies Our Freight
F922/J878/1865
De Zon is vrolijk of laaiend
Naargelang ons Doen en Laten.
Zijn we Vrolijk, is Hij nog vrolijker –
Verlangen we naar de Dood
Of dat er een einde komt aan de Dag
Die Hij te blakend had gemaakt
Dan zint Ons zijn machtig plezier niet
Het verergert Onze Zwaarte
They wont frown always – some sweet Day
When I forget to teaze –
They’ll recollect how cold I looked
And how I just said “Please”.
Then They will hasten to the Door
To call the little Girl
Who cannot thank Them for the Ice
That filled the lisping full.
F923/J874/1865
Ze blijven niet altijd streng – op een lieve Dag
Wanneer ik vergeet ze te plagen –
Herinneren zij zich hoe koel ik eruitzag
En alleen maar “Alsjeblieft” zei.
Dan zullen Ze zich naar de Deur haasten
Om het kleine Meisje te roepen
Dat Hen niet kan bedanken voor het IJs
Dat het stamelen volledig stilde.
On that dear Frame the Years had worn
Yet precious as the House
In which We first experienced Light
The Witnessing, to Us –
Precious! It was conceiveless fair
As Hands the Grave had grimed
Should softly place within our own
Denying that they died.
F924/J940/1865
Dat lieve Gestel hadden de Jaren versleten
Maar dierbaar als het Huis
Waar We voor ‘t eerst het Licht zagen
Was voor Ons, daarvan Getuige te zijn –
Dierbaar! Het was onvoorstelbare mooi
Alsof Handen vuil van het Graf
Zich zachtjes in de onze zouden leggen
Ontkennen dat ze stierven.
The Lady feeds Her little Bird
At rarer intervals –
The little Bird would not dissent
But meekly recognize
The Gulf between the Hand and Her
And crumbless and afar
And fainting, on Her yellow Knee
Fall softly, and adore –
F925/J941/1865
De Dame voert Haar Vogeltje
Met de vreemdste tussenpozen –
Het Vogeltje is het daar niet mee eens
Maar erkent gedwee
De Afstand tussen Haar en de Hand
En zonder een kruimel, veraf
Bezwijmt zij, op Haar gele Knieën
Valt ze zacht, en aanbidt haar –